Minister Karla Peijs van Verkeer en Waterstaat heeft op 4 oktober het wetsvoorstel voor de nieuwe Waterwet naar de Tweede Kamer gestuurd. De Waterwet gaat acht bestaande wetten vervangen. Tegelijk brengt de nieuwe waterwet enkele wijzigingen met zich mee. De superwaterwet wordt gezien als de wettelijke vastlegging van het integrale waterbeheer dat in Nederland de afgelopen twintig jaar is opgebouwd. Grondwater, waterkwaliteit en waterkwantiteit zijn nu samen in een wet ondergebracht. Voor burgers en bedrijfsleven is vooral van belang dat er nu één gemeentelijk loket komt voor de watervergunning en de milieuvergunning. Toch houden de verschillende instanties hun eigen verantwoordelijkheid: het Rijk voor rijkswateren, het waterschap voor regionale wateren en waterzuivering, de provincie voor het grondwater en de gemeent voor indirecte lozingen op de riolering. De drinkwatervoorziening en de riolering zelf vallen nog steeds buiten de waterwet.
Betere doorwerking van waterplannen
De Waterwet introduceert het nationaal en het regionaal waterplan. Deze twee plannen krijgen in de nieuwe Wet ruimtelijke ordening de status structuurvisie. Provincie en Rijk zijn dan, door die koppeling met de wetgeving op het gebied van de ruimtelijke ordening, verplicht de wateraspecten uit deze visie te betrekken bij hun algemenere afwegingen.
Het nationaal waterplan wordt door het Rijk opgesteld en vervangt de nota Waterhuishouding. Het regionaal waterplan is de verantwoordelijkheid van de provincie en vervangt het provinciaal plan voor de waterhuishouding en de beheersplannen van de waterschappen. Nieuw is ook dat het regionaal plan hydrologische eenheden mag volgen en dus niet gehouden is aan de provinciegrenzen. Deze vrijheid maakt het mogelijk om de regionale waterplannen te laten aansluiten bij de stroomgebieden waar de Kaderrichtlijn Water mee werkt.
Te veel inperking van lokale afwegingen
Vanuit de structuurvisie kent de Wet ruimtelijke ordening straks ook een doorwerking van de waterplannen tot op het bestemmingsniveau. Rijk en provincies krijgen bevoegdheid om waterplannen uit de structuurvisie op te leggen aan gemeenten. Die bevoegdheid gaat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) te ver. Als het gaat om waterkeringen hebben ze daar vrede mee, maar niet voor waterprojecten die gaan over de waterkwaliteit of lokale wateroverlast.
Gemeenten verantwoordelijk voor lozingen op riolering
De waterschappen raken met de nieuwe wet een deel van hun verantwoordelijkheid kwijt. Zo worden de gemeenten verantwoordelijk voor indirecte lozingen van afvalwater op het riool. De waterschappen zijn hier niet blij mee, omdat daarmee hun rwzi's gevaar lopen. Als bedrijven stoffen op het riool lozen die de biologische processen op een rwzi verstoren, heeft het waterschap geen rechtstreekse bevoegdheid meer om de vervuiler te sommeren daarmee te stoppen. Het waterschap moet daarvoor eerst een advies aan de gemeente uitbrengen. De gemeente is wel verplicht dat advies op te volgen.
Weinig duidelijkheid over grondwater
De nieuwe Waterwet is nog niet erg duidelijk over de verantwoordelijkheid voor het grondwater. Dat was ook een ernstig punt van kritiek van de Raad van State op het wetsconcept. Minister Peijs weerlegt die kritiek met het argument dat ze niet wil vooruitlopen op de behandeling van het wetsvoorstel over de verbrede zorgplicht voor gemeenten. In die wet zal het beheer van het stedelijk grondwater worden geregeld. Pas dan wil Peijs dat ook in de Waterwet regelen. Intussen blijft alles nog even zoals het in de bestaande waterwetten is geregeld.
Het wetsvoorstel Waterwet, met toelichting en advies van de Raad van State, is te downloaden van de speciale website: www.waterwet.nl
Meer informatie:
Ministerie van Verkeer en waterstaat, Den Haag (070) 351 61 71 en www.verkeerenwaterstaat.nl
Meer nieuws over integraal waterbeheer >>
Het overige nieuws van deze week, klik hier >>